Extra debat over zorgverzekering buitenlandse gepensioneerden

De CDA-fractie wil van minister Hoogervorst van Volksgezondheid de garantie dat gepensioneerden die in het buitenland wonen, niet de dupe worden van het nieuwe ziektekostenstelsel dat in januari in werking treedt. Zorgverzekeraars zijn volgens het CDA in het nieuwe systeem namelijk niet verplicht om mensen die buiten Nederland wonen een nieuw aanbod te doen voor een verzekering nieuwe stijl.

 

Op 6 december volgt er een debat over deze kwestie. Het CDA is bang dat verzekeraars aan de buitenlandse gepensioneerden hoge premies vragen of hen simpelweg weigeren als klant. Het kan ook zijn dat het pakket van voorzieningen voor gezondheidszorg voor de gepensioneerden in het buitenland veel beperkter wordt.

 

Bron: ANP 2005, 1 december 2005

 


 

De levensloopregeling; wenkend perspectief voor de dga

Dga’s die bereid zijn bedragen af te storten bij een bank of verzekeraar kunnen via de levensloopregeling interessante fiscale voordelen behalen. Als zij met het oog op deze regeling hun salaris verhogen, komen zij ook nog eens in aanmerking voor een additionele pensioendotatie. Dga’s van 51-55 jaar zijn niet gebonden aan de grens van 12% inleg. Voor deze groep geldt the sky is the limit. De LLR biedt fantastische mogelijkheden in het kader van de financiële planning van de dga. Zij is echter alleen geschikt voor dga’s met de voor afstorting benodigde financiële ruimte.

Eigen beheer niet mogelijk
In 2002 is de verlofspaarregeling ingevoerd. Op grond van deze regeling kunnen werknemers tot 10% van hun loon in geld of in tijd sparen voor allerlei vormen van verlof. Met ingang van 1 januari 2006 wordt zij vervangen door de levensloopregeling (LLR), waarbij 12% mag worden ingelegd.

De aantrekkelijkheid van de LLR is gelegen in uitstel van belasting. Toegespitst op de dga komt het erop neer dat de BV een aftrekpost heeft, hetgeen een besparing van VpB en ab-heffing oplevert. Daar staat een heffing van inkomstenbelasting in de toekomst tegenover. De parallel met pensioen ligt voor de hand. De dga kan de LLR echter niet in eigen beheer houden; hij moet de inleg afstorten bij een bank of verzekeraar. Daartoe moet hij een contract sluiten met een bank of verzekeraar. Daarnaast is een schriftelijke overeenkomst nodig tussen dga en BV. De bank/verzekeraar waar het verlofkapitaal is ondergebracht, moet bij opname van verlof de desbetreffende gelden overmaken naar de werkgever, die voor inhouding en uitbetaling verantwoordelijk is. Voor de implementatie van de LLR voor de dga is een besluit van de ava nodig. Het betreft immers de arbeidsvoorwaarden van de directeur.

Levensloop-producten zijn bij de banken en verzekeraars in ontwikkeling. Weinig aantrekkelijk lijkt een spaarrekening met een rentepercentage dat gangbaar is voor het spaarloon. Deze ligt in de orde van grootte van 1 procent. Meer aantrekkelijk lijkt het onderbrengen van het kapitaal in beleggingsfondsen. In dit kader kan gedacht worden aan een girale beleggingsrekening, welke reeds onderdeel is van het standaardpakket van de financiële dienstverleners.

De doorsnee dga zal louter van de LLR gebruik willen maken vanwege de fiscale voordelen, niet om een kapitaal te creëren voor de financiering van toekomstig verlof. Het is twijfelachtig of gewone werknemers op grote schaal van de nieuwe faciliteit gebruik zullen maken. Het leidt immers tot verlaging van het netto loon. De dga verkeert in de omstandigheid dat hij zijn eigen arbeidsvoorwaardenpakket kan samenstellen. Als de winst van de BV het toelaat kan hij zijn salaris verhogen om zo ruimte te creëren voor de LLR. Een niet onbelangrijk bijkomend voordeel is dat op deze manier de pensioengrondslag wordt verhoogd. Wel moet hierbij rekening worden gehouden met de grenzen van de zakelijkheid. In de praktijk gelden hiervoor echter ruime marges. Het is geen bezwaar als de dga niet van plan is het kapitaal daadwerkelijk aan te wenden voor verlof.

Maximum
De maximale inleg per jaar is normaliter 12% van het loon. Dat is het loon vóór een eventuele eigen bijdrage voor de auto en pensioenpremie. Het gaat om het begrip loon volgens de Wet LB. Het via inleg op te bouwen kapitaal is 210% van het loon. Dat wil zeggen, de inleg mag er niet toe leiden dat het levensloopsaldo meer wordt dan 210% van het loon. Dit percentage maakt het mogelijk om drie jaar verlof op te nemen op basis van 70% van het loon. De wetgever heeft het gebruik als VUT-regeling expliciet erkend.

Als het maximum is bereikt, kunnen bijgeschreven rente en/of beleggingsresultaten nog wel leiden tot overschrijding van het maximum. Dit is toegestaan. Naarmate de werknemer vroeger begint met de LLR en daardoor snel het maximum bereikt, is er meer ruimte voor deze aanwas en zijn saldi van 300%-400% zeer wel denkbaar. Als het saldo wordt belegd in aandelen, kan deze situatie optreden als de beurs weer een sprint naar boven gaat maken. Uitgaande van een rendement van 5% en een gelijkblijvend salaris wordt het maximum van 210% na ongeveer 13 jaar bereikt.

Een zeer interessante mogelijkheid wordt geboden voor werknemers die op 31-12-2005 51 jaar zijn, maar niet ouder dan 55. Zij kunnen extra doteren aan de levensloopregeling. De enige beperking is dat in totaal niet meer mag worden opgebouwd dan 210 procent van het loon. Stel dat een dga die voor deze verhoogde inleg in aanmerking komt dat in 5 jaar zouden willen opbouwen, dan mag 42% per jaar worden inlegd (geabstraheerd van rente-aspecten). Uitgaande van dit voorbeeld zou zo'n dga zijn salaris (en daarmee zijn pensioengrondslag) met 42% kunnen verhogen. Omdat over de salarisverhoging ook weer inleg mag plaatsvinden, is de verhoging 42/58 (72,4%). Vergelijk het volgende voorbeeld. Het salaris nu bedraagt € 100.000. Na verhoging met 42/52 komt het uit op € 172.414. Inleg in LLR 42% van € 172.414 = € 72.414. Het salaris na eigen bijdrage LLR wordt € 100.000.

Let op! Bij het doorvoeren van een salarisverhoging moet een zakelijkheidstoets worden toegepast. Deze speelt ook bij de inkoop van dienstjaren voor het pensioen van de dga. Gekeken moet worden naar de totale salarislast voor de BV, inclusief pensioenlasten. De gebruikelijke loonregeling maakt een salaris mogelijk dat 30% onder een zakelijk te achten niveau ligt. Als van deze marge gebruik is gemaakt dan zou een verhoging van 70% naar 100% zonder meer mogelijk moeten zijn. Dit impliceert een verhoging van 30/70. Afgerond 43%. Als men zijn kaarten willen zetten op een nog hogere stijging, dan kan het zinvol zijn een kijkje te nemen op de site van de Vereniging van Effectenbezitters. Daar vindt u een overzicht van de salarisstijgingen van bestuurders van de Nederlandse beursfondsen. Wij noemen een aantal voorbeelden van relatief kleine fondsen waarbij bestuurders in 2004 een aanzienlijke salarisstijging hebben gekregen:

- Ajax – 63%
- Besi – 75%
- Gouda Vuurvast 49%
- ICT 55%
- Nedschroef 64%
- Neways 64%
- Sopheon 49%

Deze informatie kan nuttig zijn in discussies met de fiscus over gebruikelijke, althans niet ongebruikelijke salarisstijgingen in de markt. In het licht van het voorgaande zal een salarisstijging van 50% in de regel geen grote problemen hoeven op te leveren. Een dergelijke stijging is natuurlijk alleen zinvol bij voldoende winstpotentieel van de BV.

Aanwending LLR-kapitaal
De dga kan de LLR gebruiken om eerder dan 65 jaar te stoppen met werken. Via de LLR kan hij gedurende de VUT-periode de lage tariefschijven van box 1 benutten. Een andere mogelijkheid is voorafgaande aan de pensioenregeling in deeltijd te gaan werken in combinatie met het opsouperen van het LL-kapitaal. De aangewezen aanwending is afhankelijk van het tijdstip waarop de werkmaatschappij wordt verkocht. Anders gezegd, het tijdstip waarop de dga stil gaat leven.

De wet kent geen sanctie als het levensloopkapitaal niet voor verlof wordt gebruikt. Het saldo dat aanwezig is als de dga de leeftijd van 65 bereikt, is belast als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking. In dat geval profiteert de dga niet van lagere tariefschijven.

Extra heffingskorting
Werknemers die deelnemen aan een LLR krijgen per gespaard jaar recht op een extra belastingkorting van € 183 bij opname van hun tegoed. Indien het tegoed wordt aangewend voor het financieren van het wettelijke ouderschapsverlof, komt boven op de extra heffingskorting nog een ouderschapsverlofkorting van 50% van het WML per opgenomen dag. Overigens geldt voor de ouderschapsverlofkorting dat deze ook kan worden genoten zonder aanwending van het tegoed op de levensloopregeling, slechts deelname aan een levensloopregeling en opname van ouderschapsverlof zijn een vereiste.

Pensioenopbouw tijdens verlof
Tijdens het verlof mag de pensioenopbouw worden gecontinueerd (afhankelijk van de pensioenregeling). In de modellen van de Belastingdienst worden de volgende vormen van verlof als diensttijd aangemerkt:

1. ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg;
2. sabbatsverlof krachtens een schriftelijk vastgelegde regeling van werkgever gedurende ten hoogste twaalf maanden;
3. studieverlof voor cursussen, voor opleidingen of studie voor een beroep, voor het op peil houden van de vakkennis en voor cursussen, opleidingen of studie die door werkgever worden gefinancierd;
4. verlof als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg gedurende ten hoogste achttien maanden.

Het is mijns inziens geen probleem om in de pensioenregeling op te nemen dat gedurende verlof dat onder de levensloopregeling wordt opgenomen de pensioenopbouw worden gecontinueerd. Met andere woorden, dat de desbetreffende perioden als diensttijd worden aangemerkt.

Te mooi om waar te kunnen blijven
Ik hou er rekening mee dat dga’s massaal van de LLR gebruik zullen maken, waardoor de wetgever zich al snel genoodzaakt ziet dit aan banden te leggen. Diverse schrijvers hebben de regeling al getypeerd als “te mooi om waar te kunnen blijven.” Dit is van belang als u de LLR wilt inzetten voor een langjarige fiscale/financiële planning. Deze verwachting kan leiden tot terughoudendheid in het gebruik. Ik zou evenwel willen adviseren om zolang het mogelijk is de zoete vruchten van de LLR te plukken. Als u verwacht dat de regeling ten aanzien van de dga geen lang leven beschoren zal zijn, valt het te overwegen om uw cliënten van 51-55 jaar te adviseren in 2005 een groot bedrag af te laten storten. U kunt er voor kiezen dit via een incidentele bijdrage van de BV te laten lopen. De belastingadviseur zal hierbij de grenzen van de zakelijke beloning moeten verkennen.

 

LOONSTROOK DGA 2006

Maandsalaris

€  6.000

Eigen bijdrage pensioen

€   - 350

Eigen bijdrage auto

€   - 500

Levensloopregeling

€   - 720

Loon SVW

€   4.430

Loonheffing

€   1.700 -

Subtotaal

€   2.730

Onkostenvergoeding

€    +150

Uit te betalen

€   2.880

 

 


 

Lager loon in tweede ziektejaar heeft invloed op pensioen

Volgens het kabinet moet de maximale pensioenopbouw van een werknemer gekoppeld zijn aan het niveau van zijn laatst verdiende salaris. Dit blijkt grote gevolgen te hebben voor zieken en arbeidsongeschikten, zegt de Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen (Opf).

In het sociaal akkoord van november vorig jaar is afgesproken dat werkgevers hun zieke werknemers in de eerste twee ziektejaren niet meer dan 170% van hun laatst verdiende loon doorbetalen. In veel CAO's is vervolgens afgesproken dat zieke werknemer in het eerste ziektejaar 100% van hun salaris krijgen doorbetaald en in het tweede ziektejaar 70%. Wanneer de maximale pensioenopbouw van een werknemer gekoppeld moet zijn aan zijn laatst verdiende salaris, betekent dat dat het pensioen van een zieke die in het tweede ziektejaar 70% van zijn salaris kreeg uitgekeerd, gebaseerd moet zijn op dit lagere salaris. Op dit moment gaan de ondernemingspensioenfondsen uit van het salaris dat iemand verdiende op het moment dat hij ziek werd. Als dit niet langer blijkt te mogen, heeft dit niet alleen gevolgen voor de pensioenopbouw van toekomstige zieken, maar ook voor de pensioenopbouw voor reeds zieke werknemers. Hun pensioenen zouden (met terugwerkende kracht) moeten worden verlaagd. Dit laatste zou volgens Opf onrechtvaardig zijn omdat reeds zieke werknemers zich niet meer kunnen bijverzekeren. Opf hoopt dat de Kamer en de verantwoordelijke bewindslieden, minister De Geus van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en staatssecretaris Wijn van Financiën, wat aan de geschetste problemen doen.

Bron: Staatscourant, 26-09-2005

 

 

 

Column
26/10/2005


-door Hans Bliemer-

 

Welk merk pensioen rijdt u?

 

Er zijn mensen die van hun ‘gouden handdruk’een nieuwe auto kopen. Volgens de uitkomsten van het Beleggers Onderzoek 2005 mogen we aannemen dat dit een BMW wordt. Wie zo’n auto aanschaft, blijkt namelijk bereid bovengemiddeld tot hoog risico te lopen. Anders dan bijvoorbeeld Opel-rijders, die graag op safe spelen. Volvo-rijders zijn erg traditioneel en gaan politiek voor de hoeksteenwaarden van het CDA. Terwijl Citroën-rijders het meer op Wouter Bos hebben begrepen. Leuk, al deze wetenschappelijk gelegde verbanden. Maar wat blijft er over wanneer je ze omkeert? Moeten we dan concluderen dat van een ‘gouden handdruk’nauwelijks of geen Opels worden gekocht?

Lees verder >>


Disclaimer NAFD - Raadhuislaan 17 - 2451 AT Leimuiden - Tel 0172 509373 - Fax 0172 506927